Palimpsest

Kris Van Look

 

Raskolnikov, het sjofele en berooide, in de marginaliteit verzonken hoofdpersonage van Dostojewski’s meesterwerk ‘Misdaad en straf’, ook en misschien beter gekend onder de titel ‘Schuld en boete’, kan zich op een bepaald moment in zijn leven niet weerhouden roofmoord te plegen: gewapend met een onder zijn jas verstopte bijl klimt hij de gammele trap op naar de oude woekeraarster en doodt haar. Het begin van een whodunit waar moraliteit en criminogenese meer aandacht krijgen dan de feiten zelf.

De schrijver stelt de fatale daad steeds weer uit door een ontmoeting, een gebeurtenis, een overpeinzing te berde te brengen en toch blijkt het fatum onafwendbaar. Oppervlakkige lezing zou kunnen doen vermoeden dat het verhaal hier begint, mijns inziens is dit het einde van een neerwaartse spiraal, geïnduceerd door schulden, rauwe levensomstandigheden, vereenzaming en een gebrek aan verbondenheid. De sociale context, hoe virtuoos beschreven ook, is ontluisterend en misschien zelfs beschamend. Als lezer sta je midden in het verpauperde en schrale Rusland van de negentiende eeuw. Dat Raskolnikov een student is, duidt de kansarmoede en uitzichtloosheid nog meer. Geen enkele sociale status, verworven door afkomst, verdienste of noodlot, ontsnapt aan de funeste gevolgen van het gebrek aan perspectief. Eenmaal de morele neergang ingezet, lijkt geen ontsnappen mogelijk.

In dit begrijpen ligt een kern tot herformulering: waarom spreken we niet eerder van een ‘genese van een falen’ dan van ‘criminogenese’? Is de maatschappelijke behoefte alles op te delen in een gepolariseerd goed en kwaad dan zo groot dat we geen oog meer kunnen/willen hebben voor kwalijke, eerder dan verzachtende, omstandigheden? Is iedereen die een crimineel feit pleegt per definitie een kerncrimineel?

Wanneer deze gedachte aan de basis ligt van wat detentie betekent, nl. een volledig en definitief uit de maatschappij verwijderen van de dader, wordt ze humus voor verstoting en, frequent onafwendbaar, recidive. De omstandigheden waarin een ex-gedetineerde na zijn straf terecht komt, zijn al te vaak identiek aan de omstandigheden die in de criminogenese geduid werden: precaire financiële situatie, werkloosheid, middelenmisbruik, vereenzaming en uiteindelijk sociaal isolement, elementen die leiden tot abstrahering en normvervaging.

In dat verband lees ik de vertaling van Dostojewski’s titel liever als ‘Schuld en boete’, wat m.i. refereert aan waarden en normen, aan het endogene schuldbesef van de dader, in tegenstelling tot normen en waarden die extern opgelegd zijn – lees: ’Misdaad en straf’ -, een visie die de moraliteit van het falende individu negeert. Er bestaat niet zoiets als vergiffenis, toch niet van jezelf aan jezelf. Wel loutering en stil verdriet, schaamte om het kleine dagelijkse geluk en, zoals ons in het Avondland is aangeboren, eeuwige wroeging, de vleesgeworden erfzonde.

In het noodzakelijke en terechte debat over slachtofferhulp, waarin toch reële vooruitgang geboekt wordt, mag men niet uit het oog verliezen de gekraakte ziel van de dader te helpen verzorgen. Gevangenissen, ontworpen in de negentiende eeuw en louter gericht op repressie, zijn broeihaarden van haat en lelijkheid. Het totale ontbreken van professioneel gestructureerde psychische ondersteuning kan leiden tot een rationalisering van de feiten, als gevolg van de jarenlange vereenzaming in een wereld zonder impulsen. Dat het gevaar voor radicalisering enkel in bepaalde geloofsgemeenschappen zou bestaan, is pragmatische zelfbegoocheling.

Vermits de mens geen metabeeld van zichzelf kan vormen – sommigen zien daarin de oorzaak en wenselijkheid van een godsbeeld – is hij per definitie aangewezen op de ander, i. c. de maatschappij, om via diens perceptie en weergave te toetsen hoe en waar hij zich in het veld bevindt. Deze informatie is levensnoodzakelijk om een min of meer werkzaam zelfbeeld te verkrijgen/te behouden. In een gevangenis, met als finaliteit de buitenwereld uit te sluiten en waar deze enkel vertegenwoordigd wordt door penitentiair personeel, laat het zich raden dat er geen voorbeeldfunctie, geen spiegel meer is. Taak en opleiding, of durven we zeggen het gebrek aan opleiding, maken dat penitentiaire beambten zich vergenoegen met het openen en sluiten van deuren, bevelen en orders doorgeven zonder reflectie en het als een persoonlijk succes beschouwen wanneer ze een gedetineerde op een overtreding betrappen. Een attitude die het voor de gedetineerde onmogelijk maakt een verbinding, laat staan een vertrouwensrelatie aan te gaan en op die manier volledig teruggeworpen wordt op zichzelf.

‘Wanneer wij te veel tijd krijgen om aan onszelf te denken, zijn wij verloren, tenminste wanneer wij onszelf niet als een object van waarneming, als een preparaat beschouwen, maar altijd als de som van wat we nu zijn. Wij worden zoveel treurigs gewaar dat door de aanblik ervan ons alle lust tot ordening of instandhouding vergaat.’

Dit citaat van Georg Christoph Lichtenberg waarschuwt voor het voorgaande, voor de gigantische valkuil die een gevangenis, naast een anachronistische vorm van vergeetput, ook kan zijn. Te vrezen valt dat deze vorm van maatschappelijk isolement bij de gedetineerde, die noodgedwongen in een overlevingsmodus vervalt, elke aanzet van wil tot veranderen teniet doet. Men kan straffen door vrijheidsberoving, door een gebrek aan minimaal comfort, door het volledig depriveren van privacy. Het meest verstrekkende gevolg van deze maatschappelijke annulering is echter dat de terecht gestrafte, want dat is niet het punt van discussie, zich hierdoor in het diepst van zijn wezen, van zijn ego, van zijn wil tot zijn ontdaan voelt.

 

Er bestaat geen grotere naaktheid.

 

Het fundamentele verschil tussen een arresthuis en een gevangenis ligt niet enkel in een reclusie vóór en ná de veroordeling, zo uitzonderlijk verwoord in ‘De Profundis’ van Oscar Wilde. Elk begrijpen is gebaat bij context en kennis van de canon van de spreker/schrijver.

Psalm 130

De profundis clamavi ad te Domine
Domine exaudi vocem meam fiant aures tuae intendentes in vocem deprecationis meae
si iniquitates observabis Domine Domine quis sustinebit
quia apud te propitiatio est propter legem tuam sustinui te Domine sustinuit anima mea in verbum eius
speravit anima mea in Domino
a custodia matutina usque ad noctem speret Israhel in Domino
quia apud Dominum misericordia et copiosa apud eum redemptio
et ipse redimet Israhel ex omnibus iniquitatibus eius.

Omwille van esthetische en kunstzinnige motieven kan ik niet nalaten de aangrijpende poëtische vertaling van Meester Gezelle hier te plaatsen:

Uit de diepte roep ik, Heere,
Hoort, ik bidde U, naer myn stem!
Wilt Uw oor te mywaerd keeren
Die om bystand roepend ben!
Sloegt gy al myn zonden gade,
Heer! wie zou niet ondergaen?
Neen! by U, dáer is genade
Heere, uw spreken houdt my staen!
Staende blyve ik op uw spreken
En ik hope in U, o Heer!
Van het eerste morgendbreken,
Tot des avonds wederkeer.
Want by U is medelyden,
Is verzachting des gekwels,
Grooter als het wederstryden
En de boosheid Israëls.
Heere, op dat hun ruste en vrede,
Zy gegeven, bidden wy:
End’ hun, in alle eeuwigheden,
‘t Hemelsch licht geschonken zy!

Dat de scherpe, vaak cynische schrijver zich beroept op één van de mooiste psalmen Davids duidt de diepe wanhoop uit zijn gevangenisjaren. Basis voor zijn bekering tot het katholicisme op zijn sterfbed? De roep om balseming van de gekwetste ziel is oorverdovend.

En hier laat het systeem ook redding toe. De pastorale werkers, en bij uitbreiding ook de moreel consulenten, wagen zich aan de enorme opgave de tot de rust van ’t algemeen verstotene een hand te reiken. Hun wil en volharding om het quasi onbestaande minuscule lichtpunt dat zich in een galactische toekomst bevindt te tonen, betekent voor velen de eerste en vaak de enige reddingsboei. Het is een paradoxale vaststelling. Door uitsluiting van het overbodige wordt wat in de buitenwereld overbodig lijkt essentie. Zie mij, hoor mij, leer mij!

Door deze ‘benadering’, die geen apologie of ontschuldiging is, wordt de gefnuikte wil tot overleven zuurstof toegediend. Dit spiritueel ritueel zal zich ontelbare malen herhalen met als ultieme realisatie het volledig uitgegomde positieve levensverhaal van de gedetineerde weer leesbaar te maken. Zonder inzicht in pro’s en con’s van het voorbije leven is een nieuwe start per definitie onmogelijk.

Palimpsest: een perkament – handschrift, waarop veelal uit zuinigheid, over de onleesbaar gemaakte eerste tekst een andere geschreven is. Langs chemische weg gelukt het vaak de oorspronkelijke, soms waardevolle tekst, weer leesbaar te maken.

Opzet van dit artikel was een beeld te geven van de heilzame werking van literatuur in detentie. Het verhaal heeft zich een andere weg gekozen wat niet wegneemt dat de meeste inzichten verworven zijn op basis van het gelezene en reflectie daarover. Pas toen vage contouren van het verleden zich weer aftekenden, was er een mogelijkheid om, geprangd tussen schuld en boete en moegetergd door een beschaamd geweten, weer oog te krijgen voor het schone, het verhevene. Dit pad, deze tao, kan een uitweg bieden, geen vluchtweg. Eerlijke lezing impliceert harde confrontatie met het zelf, stelt elke morele verantwoordelijkheid in vraag. Het grillige verloop van dit artikel is slechts een flauwe weergave van de emotionele deiningen die reikende handen en gedrukte ‘compagnons de route’ teweegbrachten. Samen versloegen we Chronos om te helen in de wereld van Kairos.

Tot lang na de detentie wordt de ex-gedetineerde geconfronteerd met maatschappelijke verwerping. In deze era van ‘social media’, waar iedereen te allen tijde binnen een muisklik de ander kan traceren, bestaat er geen vergetelheid, is een waarachtige tweede kans, Hannah Arendt ten spijt, uitgesloten. Moge dit schrijven een pleidooi zijn voor volwaardige reclassering, tot baat van individu en maatschappij.

Feb 2018:
Binnenkort komt hier een nieuwspagina met regelmatige updates van binnenlands en buitenlands nieuws over het gevangenis­wezen. Voor wie graag op de hoogte blijft: Schrijf je in voor onze nieuwsbrief  →