DE CONTEXT VAN HET WERK

 

Gevangenispastoraat voltrekt zich binnen een gecompliceerde context die aan dit werk zijn specifiek karakter en zijn begrensde mogelijkheden verleent. Binnen het bestek van deze Pastorale Kaart kan deze context slechts summier worden uitgetekend. Bij een analyse van de vele factoren die de werking van de aalmoezeniersdienst mee bepalen, dient ons inziens in elk geval gewezen op 1) de globale maatschappelijke en kerkelijke context waar­binnen de gevan­genispastores hun werk verrichten; 2) de “eigen-aardigheid” van de gevange­nis als leefwereld; 3) de vraag hoe de gevangenen hun situatie beleven; 4) hun verwachtingen en behoeften en 5) de vraag in welke mate de feitelijke penitentiaire praxis ruimte laat voor het pastorale begeleidingswerk.

 

 

De maatschappelijke en kerkelijke context waarbinnen gevange­nispastores hun werk dienen te verrichten

 

In verband met het werkveld van de gevangenispastores worden zeer hetero­ge­ne en contradictorische verwachtingen geformuleerd.

De gevangenis is het brandpunt (geworden) van zeer uiteenlopende finali­teiten met als gevolg een verregaande verwarring betreffende de te voeren penitentiaire politiek.

Naast deze veelvuldigheid van doelstellingen moet rekening gehouden worden met de snel wisselende houdingen van de publieke opinie die, in wisselwerking met de invloed die door pers en media wordt uitgeoefend, zeer ambivalente houdingen vertoont tegenover het gevangeniswezen. Terwijl “in het buitenland altijd alles beter gaat”, is de publieke opinie nochtans weinig geneigd de aangevoerde voorbeelden te helpen verwezenlijken door geld en personeel ter beschikking te stellen. Spectaculaire gevallen zetten de publieke opinie ertoe aan strenge straffen te eisen, maar aan de andere kant heeft, door toedoen van pers en media, de sterk toegenomen “zichtbaarheid” van de gevangenis als gevolg dat de bestaande penitentiaire regimes als onmenselijk worden aangeklaagd. In deze Babylonische verwarring kan het niet anders dan dat het gevangeniswezen steeds voor één of andere reden in het ongelijk gesteld wordt.

Met andere woorden: “werken in de gevangenis” betekent, en dit natuurlijk niet alleen voor de aalmoezeniers, werken binnen een context die voortdu­rend onder kritiek ligt vanuit de maatschappelijke verwachtingspatronen.

 

Daarbij komt dat de aalmoezeniers, omdat zij namens de kerkgemeenschap in de gevangenissen aanwezig zijn, eerder als “een vreemde eend in de justitie­bijt” worden beschouwd. In de dagelijkse praktijk van hun werk worden zij inderdaad geconfronteerd met uiteenlopende en tegenovergestelde waardeno­riëntaties. “Pastoraal” gezien wordt van hen verwacht dat zij mensen oriënte­ren op levensperspectief, bevrijding en verzoening; “penitentiair” gezien beheerst wantrouwen alle dimensies van de detentiesituatie: in de eerste plaats omdat wantrouwen het fundament vormt van totale beveiligingssyste­men, maar ook van de behandelings- en beslissingspatronen van dié perso­neelsleden wier taak in directe verbinding met dat beveiligingssysteem wordt uitgeoefend. Al wat vanuit christelijk perspectief de schoonheid en de zin uitmaakt van ons mens-zijn, heeft in de dagdagelijkse levenssituatie van de gevangene slechts zwakke resonanties. Als pastor moet men een verzoenings­perspectief openhouden ten overstaan van mensen die ondubbelzinnig en massief — zowel tijdens als na hun detentie — een klimaat van niet-vergeving ervaren. Voortdurend moet de pastor “weerwerk” proberen te leveren voor het feit dat zoveel gevangenen in de loop van hun detentie via een ingrijpend objectiveringsproces gaan vervreemden van zichzelf, van de daad waardoor zij in de gevangenis terechtkwamen, van hun medemensen en van de realiteit als zodanig.

Om hun enigszins aparte positie binnen het gevangenissysteem en binnen het veld van de penitentiaire begeleidings- en hulpverleningspraxis te recht­vaardigen, kunnen de aalmoezeniers zich beroepen op de “vrijplaatsfunctie” van het pastoraat. Er zou evenwel verwacht mogen worden dat zij, juist omdat zij namens de kerkgemeenschap binnen de gevangeniswereld aanwezig zijn, het voordeel hebben dat zij over een min of meer ruime achterban beschikken in de maatschappij aan de andere kant van de muur.

Zoals het hier heel in het kort wordt uitgedrukt, moeten er wel onmiddel­lijk enkele vragen aan toegevoegd worden, want het ge­noemde voordeel blijkt in de praktijk niet zo door te werken. Dit heeft te maken met het feit dat kerkle­den, evenals kerke­lijke ge­zagsdragers, ook maar gewone Belgen zijn. De groeiende criminali­teit ver­oorzaakt een grote mate van angst die uiteraard kerkleden niet overslaat. Als nie­mand raad weet met mensen die (verschrikke­lijke) delicten plegen en die zich weinig lijken aan te trekken van wat ze andere mensen aandoen, dan weet de kerk het ge­lukkig ook niet zo gauw. Het traditionele moraliseren raakt, in deze materie althans, wat uit de mode, gezien een kind begrijpt dat dit niet helpt. Als de hele samenleving niet weet wat ze met criminelen aan­moet en bijna tegen beter weten in door­gaat met weinig efficiënte reacties ertegen zoals strafrecht en gevangenis­straf, dan zitten ook gelovige en kerkelijke mensen in hetzelfde schuitje: we weten ons geen raad en we reageren met afstoting en uitstoting. De diepere grond zal wel zijn dat we zelf ook geen raad weten met onze eigen criminele, anti­socia­le, slechte neigingen, be­hoeften en verlan­gens. We zijn bang voor onze eigen schaduwzijde, met name voor het kwaad in onszelf en voor de gevol­gen die dit zou kunnen hebben als het zou uitbreken. We houden het daarom opgeslo­ten. Zoals we ook misdadigers opgesloten houden. Hier­mee is wel­licht de diepste wortel aangeduid van het conflict tussen criminelen en maat­schap­pij, althans van de manier waarop dit conflict gehanteerd wordt. Het kan ook de diepste grond zijn waarom kerken in de praktijk weinig contact hebben met hun eigen gevangenispastoraat. We hebben het dan na­tuurlijk niet over de officiële leer die bol staat van vergeving van schuld en verzoening van de schul­dige.

In dit verband dringt zich de pertinente vraag op hoeveel gevangenispasto­res zich in hun werk gedragen voelen door hun kerkelijke achterban. Soms lijkt het erop dat de bijbelse imperatief uit Matheus 25, 31-46 door die ach­terban gespiritualiseerd is tot een liturgische proclamatie. Niet zelden erva­ren gevangenispastores daarom dat zij zich in een isolement bevinden. Binnen de strafinrichting zijn zij enigszins een rariteit; buiten hebben gewone burgers geen goed woord over voor de mensen met wie zij werken en op wie zij dikwijls gevoelsmatig sterk betrokken zijn.

 

 

De “eigen-aardigheid” van de gevangenis als leefwereld

 

Het publieke debat over de gevan­genis wordt gekenmerkt door een polari­satie tussen de mensen van de harde lijn en de utopisten. De eer­sten — de mensen van de harde lijn — vinden dat onze gevangenissen “geen gevan­ge­nissen” meer zijn. Zij pleiten voor strenge­re, voelbare straffen. Som­migen willen zelfs de uitvoering van de doodstraf terug ingevoerd zien. Bij de utopisten be­staat de tendens om criminaliteit tot alles te herleiden behalve tot criminali­teit. De gevangenisstraf wordt door hen principieel in vraag gesteld omdat en in de mate waarin zij zou dienen tot neutralisering van de maat­schappelijke underd­ogs die de gevangenen a priori zouden zijn. De voorstel­lingen die men zich maakt zijn navenant. Afhanke­lijk van de visie die men er op na houdt in verband met doel en functie van de gevangenis, wor­den de strafin­richtingen bekeken als vier­sterren-hotels of als een soort mid­deleeuw­se bun­kers.

Toen het nieuwe gevangeniscomplex van Brugge werd geopend, werd er in de pers en door de man van de straat over gediscussieerd of die hele nieuw­bouw niet veel te luxueus was opgevat. De toonzetting van de argumentatie is bekend, niet alleen uit lezersbrieven uit de kranten, maar ook uit standpunt­bepalingen van sommige politici die demagogisch inpikken op wat er leeft bij de man in de straat: “Waar halen de ge­vangenen feitelijk het lef vandaan om zich over hun situatie te beklagen? Zij leven toch in materiële omstandighe­den die vele onschuldige mensen — bijvoorbeeld alleenstaande ouderlingen — zich niet kunnen permitteren. Zij hebben geen zorgen in verband met loge­ment en voeding; zij kunnen zich een radio- of tv-toestel aanschaffen, enz…”

Het is inderdaad een feit dat vele gevangenen het “materieel” gezien niet zo slecht hebben. De tijd waarin de materiële levensomstandigheden zodanig miserabel waren dat zij voor de gevangenen een supplementaire straf bete­kenden raakt voorbij. Via verbouwingswerken in de oude gevangeniscom­plexen wordt voorzien in een elementaire sani­tair-hygiënische infrastructuur en van de penitentiaire nieuwbouw wordt dus gezegd dat hij te luxueus zou zijn. Zulke bewering gaat alvast voorbij aan het feit dat het design van deze nieuwbouw, met daaraan gekoppeld de invoering van gesofistikeerde bewa­kingstechnieken, resulteert in een regime waarin de menselijke en interper­soonlij­ke contacten tot een minimum herleid zijn. Hieruit blijkt het relatieve belang van materiële levensomstandigheden. De ervaringen die met nieuwe, hypermoderne gevange­nissen worden opgedaan, wijzen uit dat de specifieke gevangenisproblematiek daardoor geen oplossing krijgt, maar ten hoogste wordt verschoven.

Voor een gevangene maakt het natuurlijk een verschil uit of hij zit opgeslo­ten in een cel zonder enig comfort dan wel in een soort studentenstudio, maar in beide gevallen zal zijn belevingswereld gecentreerd zijn rond wat de kern uitmaakt van zijn situatie: namelijk het feit van de vrijheidsbero­ving. Zulks blijkt uit de vaststelling dat verbete­ringen van de materiële levensvoorwaar­den en regimeversoepelingen in de gevangenis­sen de klachten en protesten van de opgeslotenen nooit doen wegvallen. De reserve aan grieven en protes­ten lijkt onuitputtelijk. Wie van zijn vrijheid is beroofd, heeft blijk­baar nood aan externe objecten om de frustraties die inherent zijn aan zijn opslui­ting, af te reageren of om de schuld voor zijn eigen situatie naar anderen te verleg­gen.

Vrijheidsberoving, dit wil zeggen het feit dat men opgesloten wordt tussen de muren van een instelling én dat men binnen die muren in zijn vrijheid wordt beknot, behelst een com­plex geheel van beperkingen: wie gevangen zit, is heel sterk ge­fnuikt in eigen keuze- en be­slissingsmogelijkheden; zijn levens­standaard — voor zover uitgedrukt in een uni­forme kleding, voeding en bewo­ning — mankeert het symbolisch belang dat deze goederen en dien­sten in de buiten­wereld hebben; het onvrijwillig celibaat betekent een frustre­rende ervaring die zich kan uiten in talrijke nevenverschijnselen. Men kan er te­recht over discussiëren of en in welke mate sommige van deze beper­kingen inherent zijn aan de gevangenisstraf (onder andere het onvrijwillige celibaat) en men kan zich voor­stellen dat het bestaande complex van beperkingen in belangrij­ke mate zou kunnen gereduceerd worden. Maar dan nog rest er de vrijheids­beroving als kern van de gevangenisstraf.

De vrijheidsberoving wordt door degenen die er aan onderworpen zijn, als frustrerend en pijnlijk beleefd omdat ze steunt op een morele verwerping door de samenleving. Een gevangene heeft het evidente basisvertrouwen als lid van de samenleving verloren. Bij de buitenstaander die zich in hoofdzaak baseert op de beeldvorming in de media, kan het idee leven dat de meeste gevangenen onverschillig zouden zijn voor dit verlies en voor deze morele verwerping. Het is zeer de vraag of dit het geval is. De beleving van de morele verwerping door de samenleving is voor de meeste gevangenen wel degelijk een belangrijk probleem. Zelfs de stoer-onverschillige of antisociale houding van ge­vange­nen die door de media eenzijdig en vertekenend als nieuwswaarde wordt uitgese­lec­teerd, kan in vele gevallen geïnterpreteerd worden als een poging om deze verwer­ping te neutraliseren.

Niet alleen raakt de vrijheidsberoving aan het basisvertrouwen dat iemand normaliter als lid van de samenleving geniet, zij raakt ook aan de basisveilig­heid waarmee iemand zich normaliter binnen die samenleving beweegt. Ook dit is een gegeven dat op grond van de bestaande beeldvorming nauwelijks wordt geloofd, laat staan onderkend. Men stelt het voor alsof “de” gevange­nen een min of meer homogeen blok van latent-ge­vaarlijke jongens zouden vormen. “Kom je zomaar in direct contact met die mannen? En heb je dan geen schrik?”, is een vraag die iedere beginnende penitentiaire beambte binnen zijn familie- of relatiekring te horen krijgt. In werkelijkheid is het zo dat vooral de man zelf die voor het eerst in een gevangenis wordt opgesloten, terecht komt in een onze­kere, als onveilig beleefde situatie. De betekenis daarvan kan best geïllustreerd worden door volgende uitspraak van een ge­vangene: “Het ergste in de gevangenis is dat men moet samenleven met andere gevan­genen”. Een zekere graad van solidariteit wordt bij de door­snee-gevangene aangevuld met de angst voor bepaalde bedreigende figuren en de onzeker­heid dat hijzelf op een bepaalde dag het slachtoffer kan zijn van “minder eerbare” figuren dan hijzelf. Hij heeft geen zekerheid over de con­formiteit van het gedrag van de andere, weet niet of afspraken zullen nageko­men worden, of een discussie niet zal leiden tot een gevecht. De wereld waarin hij leeft geeft weinig vertrouwen en stabili­teit. Deze onzekere wereld leidt naar onzekerheid en angst.

Het essentiële van de vrijheidsstraf ligt erin dat aan mensen het grondrecht wordt ont­nomen om zich te bewegen waar ze willen en om in een zelfgeko­zen vorm deel te hebben aan de samenleving. Dat klinkt abstract maar het betekent voor de betrokkenen een keiharde realiteit. Regelmatig wordt door gevangenen gezegd dat een rechter die een mens voor x-aantal jaren naar de gevangenis verwijst, niet beseft wat hij die mens aandoet. Daarmee wordt door hen uitgedrukt dat vrijheidsberoving een veel complexer en gevarieerder geheel van beperkingen en frustraties is, dan wat wettelijk als straf wordt uitgesproken. De tragisch om het leven gekomen ex-gedetineerde (en schrij­ver) Roger Van de Velde vergeleek een cellulair-opgesloten mens met een grote vis in een veel te klein aquari­um.

De gevangene leeft inderdaad in een kunstmatig en psychisch-ongezond klimaat. Tot de psychische bestaansminima zonder welke een mens moeilijk op een normale wijze kan functioneren behoort dat hij zich aanvaard en gerespecteerd weet; dat hij vertrouwen kan ervaren; dat hij verantwoordelijk kan gesteld worden voor een eigen gedragskeuze. In de gevangenis hebben deze bestaansminima slechts zeer zwakke resonanties. In­terre­lationeel gezien heerst er veeleer een klimaat van “voortdurend op zijn hoede zijn voor el­kaar”. Bewaarders hebben als taak de gevangenen binnen te houden; willen zij op een medemenselijke manier omgaan met de gedetineerden dan worden zij soms in een onmogelijk rolconflict gedreven. Ten aanzien van elkaar heerst er onder de gede­tineer­den slechts een schijnsolidariteit; zij kunnen het zich niet permitteren om zich binnen de groep kwetsbaar op te stellen en de persoonlijke gevoeligheden worden verborgen achter een façade van bravoure en viriliteit. Vele gevangenen verliezen door dit interre­lationele leefklimaat het gevoel voor de juiste houding tussen geven en ne­men; tussen berekend en verantwoord handelen. Psychisch even erg is dat een gedetineerde stilaan de mogelijkheid verliest om nog een sluitende grens te trekken tussen zichzelf en de gevangenisinstelling. Hij is immers totaal blootgesteld aan de interventie­mogelijkheden van de inrichting waarin hij zit opgesloten. Het hele systeem waarin de gevangene is terechtgekomen bevestigt en bestendigt hem in de rol van lijdzaam object. Hij is binnen de gevangenis “slechts” gevangene, maar hij is het op een totale manier. Het besef slechts dit te zijn, is één van de meest fnuikende en vernederende aspecten van het gevangenisbestaan. De gevangene is losgescheurd uit alle sociale levensruimten die hem tevoren een gevoel van eigenwaarde gaven, hoe deficiënt de voorheen bestaande verhou­dingen misschien ook waren. De rol van echtgenoot, vader, kostwinner, werkcollega, gebuur, kameraad is hem afgenomen of is fundamenteel aange­tast. Wie gevangen zit kan nog maar nau­we­lijks gezins- en beroepsver­ant­woordelijkheid op zich nemen.

Ook in die gevangenissen waar eerlijk geprobeerd wordt om de materiële beperkingen van de detentiesituatie tot de strikte veiligheidsminima te herlei­den, blijft gelden dat precaire rechtsgoederen — zoals privacy en persoonlij­ke integriteit — in het gedrang komen. Elke gevangene kan op elk moment van de dag en de nacht worden bekeken; na elk bezoek zit de kans erin dat de man aan een volledig lijfonderzoek wordt onder­worpen; de brieven die zijn vrouw hem schrijft worden door vreemden gelezen. Zelfs wanneer be­paal­de beperkingen of reglementaire bepalingen niet zo op­vallend zijn, krij­gen zij toch veel gewicht omdat ze zo frequent voorkomen op de meest di­verse momenten van het gevangenisleven. Het is simpel om een gevangene te gaan kwalificeren als “naamloze, rechtelo­ze, on­machtige onder­geschikte”. Toch wordt door elk van deze kwalificaties iets uitgedrukt van datgene wat de man in kwestie ervaart in verband met zijn positie. De tijd is ge­lukkig voorbij dat de gevangenen slechts kenbaar waren aan hun koperen nummer­plaat­je en ook altijd met dit nummer werden aangesproken. Maar de gevan­genisatmos­feer werkt nog altijd de beleving in de hand die vele gevan­genen zo vaak ervaren, namelijk dat zij als het ware ondergaan in een leger van naamloze ondergeschikten. Bij hun aankomst in de gevangenis krijgen zij op de griffie een cel- en rolnummer toege­wezen; dan moeten zij zich van hun persoonlijke kledij ontdoen en krijgen een gevan­genisuni­form; persoonlijke bezittingen worden slechts toegestaan in de mate waarin ze regle­mentair zijn toegelaten. Voor alles dient toelating gevraagd, ook voor datgene wat een zekere zelfbepaling impliceert (bijvoorbeeld geld opsturen naar vrouw en kinderen).

Louter juridisch gezien zijn de condities van het gevangen-zitten de weer­spie­geling van het arbitraire principe dat alles is verboden, tenzij iets is toegela­ten. De gevangene heeft inderdaad geen interne rechtspositie. Noch in de wet noch in het algemeen re­glement van de strafinrichtingen vindt hij normen die zijn rechten als gedetineerde waarborgen. Wij zouden de waar­heid geweld aan­doen wanneer wij hiermee zouden suggereren dat “de” ge­vange­nen uit “de” Belgi­sche strafinstellingen object zijn van een arbitraire behande­ling. Wij bedoelen gewoon dat het penitentiaire beleid veel zou win­nen aan duidelijkheid wan­neer het de rechtspositie van de gevangene een juridisch-behoorlijke gestalte zou geven. Daardoor zou het zichzelf de ver­plichting opleggen om zich naar de gevangenen toe te legitimeren. In het dwanginstituut dat de gevangenis a priori is, is het zowel ethisch als psycho­logisch erg belangrijk dat alles wat zweemt naar onduidelijkheid en willekeur zoveel mogelijk wordt vermeden.

Niet enkel wordt de detentiesituatie gekenmerkt door het gegeven dat niets mag ge­beuren tenzij het is toegelaten, maar dat er ook weinig zinvol-con­structief kan gebeu­ren. Beroofd van de vrijheid van beweging en van eigen gedragskeuze, kweken vele gevangenen bij zichzelf een levensinstelling aan die getekend is door onmachts- en nutteloosheidsgevoelens. Zij kunnen zelf niet eigenlijk actief worden. Zoals zij moeten wachten op het openen van hun celdeur, zo zijn zij even onmachtig en afhankelijk van anderen om enig initiatief te nemen inzake alles wat te maken heeft met de uitbouw van het eigen levensproject. Natuurlijk wordt er in de gevangenis gewerkt. Maar de arbeid heeft daar de betekenis verloren die hij buiten de gevangenismuren heeft. Als gedetineerde kan men niet langer als kostwinner voorzien in het levensonderhoud van diegenen waarvoor men verant­woordelijkheid heeft. De arbeid krijgt daarom andere functies; hij doodt de tijd en brengt het geld op dat nodig is om het zich binnen de muren min of meer leefbaar te maken. Kan men het mensen die jarenlang in de gevangenis moeten zitten, kwalijk nemen dat zij hun geldbeheer afstemmen op het aanbod van de kantine-lijs­ten? Vooral de gevangene die nog externe relaties heeft, ervaart sterk zijn onmacht. De man wéét dat hij weinig kan doen aan de vele problemen waar­mee zijn vrouw en kinderen wor­den geconfronteerd. De meeste vrouwen begrijpen dit en doen tijdens het bezoek hun best om hun problemen te ver­bergen (“mijn man heeft het al moeilijk genoeg”).

 

 

Vrijheidberoving als doorleefde realiteit/”Le vécu pénitentiaire”

 

Mijn leven was een spiraal

               tweeëntwintig wendingen groot

               tot plots de laatste cirkel

               grillige bochten ging vertonen.

               Mijn leven beperkt zich nu

               tot een rechthoek.

 

S.A. (1980)

 

 

Ze spreken over een wereld

               van staal en beton

 

Maar wat met mijn

               vuilgekalkte muren

               beschreven met de waanzin van anderen

               die ook de mijne zal worden.

 

               En met lachende tralies

               die je verbieden

               naar de regen te kijken

               terwijl ze hem toch niet buiten kunnen houden.

 

 

En de put die in mijn matras ligt

               omdat de ziel ervan rot is.

               Eigen aan dit huis

               met drie — vallende — sterren.

 

               Een zestig watt tegen de muur

               onvoldoende om mijn geest te verlichten.

               Mijn maan overdag

               de zon van de nacht.

 

               Verstrikt in mijn angsten

               gevangen in mijn emoties

               en grenzeloze eenzaamheid.

               Niemand om van te houden

               geen bloemen die kleur geven.

 

A.A. (1989)

 

 

 

 

Waarom?

 

Mijn geest verwijlt in het verleden

Blijft stilstaan bij jou

               Herleeft wat jij hebt geleden

               En schreeuwt dat ik van je hou.

 

               Waarom kan ik niet vergeten

               die ene missing van weleer?

               Ik zou alles willen geven

               mocht mijn geest beneveld blijven

               en nooit meer kunnen herbeleven.

 

               Help mij, liefste, weer te vertrouwen

               Laat ons samen wandelen

               door een nieuwe levenspoort.

 

               God zal mij wel genade schenken

               Hij weet wat ik heb meegemaakt.

 

(Gedicht van een levensdelinquent aan zijn slachtoffer)

 

 

               Ik loop door de lange gang

               op zoek naar de deur

               met mijn naam erop.

 

               Ik open haar

               en trap haar aan de binnenkant weer toe.

 

               O, de vreugde een deur te hebben

               met “Peters” erop.

               De vreugde dat m’n bestaan

               wat dat betreft, nog klopt.

 

G.P. (1987)

 

 

 

 

            Over de Jabbok

 

               Toen ik het einde had bereikt

               van mijn verdorvenheden,

               stond God op uit het slijk,

               en weende;

               en ik stond naast Hem, ziende neder

               op een verloren eeuwigheid.

 

               En Hij zei: je had geen gelijk;

               maar dat is nu voorbij, van heden

               tot aan die andere eeuwigheid,

               is maar een schrede.

 

Gerrit Achterberg

 

 

 

 

            Nachtwake

 

               Vanuit mijn cel staar ik in de donkere nacht

               Aan het getraliede raam houd ik de wacht

               Ik wacht op iets dat nooit terug zal komen

               Want van ons samenzijn kan ik alleen maar dromen

               Ik schat de afstand tot bij een heldere ster

               Want ook jij zijt nu zo onbereikbaar ver

               Zo ver dat ik je nooit meer aan kan raken

               Ver als die ster hoog boven de daken

               En toch houd ik aan mijn raam de wacht

               En staar vanuit mijn cel in de donkere nacht.

 

               Vanuit mijn cel staar ik in de donkere nacht

               Aan het getraliede raam houd ik de wacht

               Ik kijk weemoedig naar het licht van de maan

               Dat naar binnen dringt door het kleine raam

               Diezelfde maan, die schijnt op mijn gezicht

               Verlicht ook het stukje grond waar jij nu ligt

               En ik wil neerknielen en bidden aan uw graf

               Zoals de maan, lijkt het dichtbij — doch, het is zo veraf

               En toch houd ik aan mijn raam de wacht

               En staar vanuit mijn cel in de donkere nacht.

 

               Vanuit mijn cel staar ik in de donkere nacht

               Aan het getraliede raam houd ik de wacht

               Maar… hoelang ik hier ook blijf wachten

               Steeds zijn het eenzame, donkere nachten

               En al hoor ik verweg een torenklok slagen

               Ik weet dat het voor mij nooit meer zal dagen

               Want van ons samenzijn kan ik alleen nog dromen

               En wachten op iets dat nooit terug kan komen

               En toch houd ik aan mijn raam de wacht

               En staar vanuit mijn cel in de donkere nacht.

 

XX (1978)

 

(Gedicht van een levensdelinquent aan zijn slachtoffer)

 

 

 

 

            Muren

 

               de muren van mijn cel

               die me soms doen denken aan mensen

               die sinds het bestaan hier verbleven hebben

               muren met verhalen

               geheimen van mensen

               van vrijheid ontvreemd

               steenvast opgesloten

               tussen

               muren van ontwaarding

               muren van vernedering

               muren van wanhoop

               muren van verbittering

               de muren van mijn cel

               beklemmend

 

               een celraam

               raam van licht

               raam van lucht

               raam van zon

               raam van hoop

               raam van leven

 

F.R. (1996)

 

 

 

 

               Wat scheef getrokken is

               is niet meer recht te trekken

               met of tegen je zin

               leven met opgelegde regels

               achter tralies

               “het vagevuur van de staat”

 

               voor mij

               jaren van bezinning

               richting nieuwe kans

               met spijt van wat ik gedaan heb

               en niet gedaan heb

               aangewezen op mezelf

               in een verwrongen bestaan

               een mentaliteit die ik niet aarden kan

               een broeikast van kwalen

               met vluchtwegen als

               drugs en medicatie

 

               mensen die terugkeren

               vaak voor dezelfde feiten

               of moet ik begrijpen

               dat hier niemand beter uitkomt

               dat heropvoeding een illusie is

               om de maatschappij te sussen

 

               moeten zij verder

               zonder ergens bij te horen

               zonder toekomst

               alleen het milieu dat overblijft

               de weg van jaren

               richting nieuwe kans

               steeds opnieuw verkijkend

 

F.R. (1996)

 

 

 

 

Vragen en behoeften van de gedetineerden

 

Vanuit de axioma’s van de “penitentiaire gedachte en actie” en meer bepaald vanuit het mensbeeld dat aan de basis lag van de “penitenti­aire zielzorg”, werden de vragen en behoeften van de gedetineerde in eenduidig-moraliseren­de termen omschreven. Wat de oorzaak was van het feit dat zij in de gevan­genis waren beland, wat zij fei­telijk nodig hadden en hoe daar het best kon worden op ingespeeld, lag besloten in het Hic Miseros Lapsos …Relevant uit het chrono­gram op de binnenkoer van de centrale gevangenis van Leuven. Over de vragen en behoeften van de gedetineerden werd geleidelijk­aan meer genuanceerd gedacht. Uit praktijkervaringen en getuige­nisverhalen van aal­moezeniers blijkt dat heel verschillende interpre­taties worden gegeven over wat de gedetineerden eigenlijk zouden willen, welke behoeften er bij hen leven, wat hun geestelijke be­hoeften eigenlijk zijn en of die er wel zijn. Daarbij worden die vra­gen en behoeften bezien vanuit verschillende mens­beelden. De ge­detineerde als materialist of als zoeker naar zin? Als een im­moreel persoon of als existentieel gedesoriënteerde? Als geboren verliezer of als falende mens? Waar het om gaat is dat deze ver­schillen in interpretaties van de persoon van de gedetineerde en van zijn “eigenlijke” vragen en be­hoeften onvermijdelijk weerspiegeld worden in de wijze waarop de aalmoeze­niers hun werkprioriteiten zullen leggen.

 

Deze prioriteiten, zowel als de mogelijkheden en belemmeringen om erop in te spelen, worden ook bepaald door de samenstelling van de gedetineerdenbe­volking. Het populatieprofiel heeft zich in de loop van de jaren grondig ge­wijzigd. De culturele achtergrond van de gedetineerden is zeer gevarieerd geworden en daarmee hangt hun religieuze verscheidenheid sa­men. De mate van gelovigheid en kerkelijke betrokkenheid van de gedeti­neerden speelt een rol in het al dan niet hulp vragen aan de aalmoezenier en in de aard van de hulpvraag.

 

Het inzicht dat de detentiefase waarin een gevangene verkeert speci­fieke vragen en problemen met zich meebrengt, is niet nieuw. Nieuw is evenwel dat door de regi­me-ontwikkelingen in de na-oor­logse periode de verschillen inzake de beleving en verwerking van de deten­tiesituaties meer gepronon­ceerd naar voren komen en een meer geëigende opvang vereisen. Mensen in voorarrest zitten meestal relatief korte tijd in een voor hen spannende situa­tie. De vragen van deze cellulair afgezonderden naar een persoonlijk onder­houd kunnen, zeker in een permanent overbevolkt arresthuis, de mogelijkhe­den van de aalmoezenier ver overstijgen. De vragen en problemen van men­sen die tot een rela­tief lange straf zijn veroordeeld en die zich enigszins kunnen settelen binnen de gevangenis, zullen andere accen­ten krijgen. Straf­inrich­tingen met een stevig gevuld dagprogramma laten echter soms wei­nig ruimte voor persoonlijke gesprekscontacten, tenzij deze worden gezocht in het weekend of na de werkuren. Daardoor is het voor de aalmoezenier vaak moeilijk om de juiste aandacht en zorg aan de vragers te besteden.

 

Vanuit een moraliserende benadering, maar evenzeer vanuit een psycho-soci­ale aanpak, werd er lange tijd voorbijgegaan aan wat er in de gevangene zelf leeft aan vragen en behoeften. Veel van die vragen worden door hen gepre­senteerd in louter materiële termen. Dat kan leiden tot de veronderstelling dat de gevangenen geen en­kele interesse hebben in zingevingsvragen, alleen maar materiële belangstelling in tv-kijken, drugs, telefoonfaciliteiten en regime­verbeteringen. Die materiële behoeften zijn normaal. Waarom zou­den gedeti­neerden materieel minder geïnteresseerd zijn dan de door­snee burger? Zij hoeven niet meer contemplatief ingesteld te zijn dan de modale Belg. Maar wie de betekenis van zingevingsvragen voor gedetineerden niet erkent, ziet de enor­me existentiële impact van de detentie voor de betrokkenen over het hoofd. Gedetineerden drukken op vele manieren uit hoe zij hun situatie bele­ven. Dat ge­beurt via een heel gamma van verbale en vooral van non-verbale signalen: crisisgedrag of een formele onderworpenheid waarachter alle moge­lijke psy­chische inhouden verborgen blijven, een li­chaamstatoeage, agressie tegen zichzelf of tegen anderen, een speci­fieke manier om z’n cel in te rich­ten, een gedicht of een autobio­grafische tekst, een tekening of een schilde­rij… Hoe contradicto­risch dit ook moge klinken: al deze signalen illustreren dat in de gevangenis intens wordt geleefd in de existentiële zin van het woord. Slechts in omstandigheden vergelijkbaar met deze in de me­disch-sociale of psychiatrische sector, wordt de mens zo duidelijk geconfronteerd met de vraag: “Dit is mijn verleden; hier zit ik nu; wat zal er van mij gewor­den?” In geen ander institutioneel-maat­schappelijk verband staat de levens­pro­blematiek van de mens zo centraal. Vrijheidsberoving confronteert de gevan­gene noodzakelijk met de grenzen van zijn bestaan. Daarom ook is zij aanlei­ding tot een intensief bezig zijn met mogelijke interpretaties van die situatie, want daarin ligt een zingevingsvraag besloten die om een antwoord vraagt. Een gevangene zoekt noodgedwongen naar een houvast om met zijn levenssi­tuatie om te kunnen gaan. Hij beproeft daartoe allerlei interpretaties die — hoe verschillend ook — bewust of on­bewust te maken hebben met de vraag: hoe kan ik orde scheppen in de chaos van mijn leven? Een benade­ring van de vrijheidsberoving als menselijke grenssituatie kan daarom een kader bie­den waarin de verschillende manieren waarop gevangenen omgaan met hun situa­tie, begrijpelijker worden. Gevoelens en reacties van onmacht en agres­sie, van hoop en moedeloosheid, van schuld en schaamte vin­den daarin hun plaats. Binnen die benadering dienen ook de uit­gangs- en aangrij­pingspunten gezocht voor een pastorale begelei­ding van de gevangene. Daar­mee wordt aangesloten bij de essentie van de vrijheidsberoving als doorleefde realiteit: een confrontatie met de grenzen van de manier waarop men leefde en bestond en een zoeken naar houvast om daarmee om te gaan. Het pasto­raat wil een antwoord bieden op dit fundamentele recht en deze fundamente­le vraag van de gedetineerde. Ook hij behoudt het recht om zijn levensovertui­ging te ver­diepen.

 

Vanuit dit perspectief bezien zijn de zogenaamde religieuze vragen en be­hoeften van de gedetineerden niet zo gemakkelijk te detecte­ren. Evenmin vallen zij zomaar af te leiden uit de keuze van de gedeti­neerden inzake pas­torale en levensbeschouwelijke bijstand of uit hun participatie aan de ere­dienst. Op het ogenblik waarop aan de gedetineerden het “godsdienstbriefje” wordt voorgelegd, hebben velen van hen nauwelijks een verwachtingspatroon met betrekking tot datgene waarvoor zij moeten kiezen. Wat zij kunnen ver­wachten is aanvankelijk dikwijls bepaald door het “horen zeggen” van een medegevangene of een sectiebewaarder en zal pas achteraf groeien via per­soonlijke contacten met de gekozen begeleider. De vlotheid waarmee sommi­gen daarna “van geloof veranderen” is dikwijls be­paald door secundaire mo­tieven. Hun keuze kan geïnspireerd zijn door de verwachting van een regime­verbetering, door de impact die de aalmoezenier of morele consulenten door de gedetineerden toe­gewezen krijgen in verband met hun aanwezigheid op de perso­neels­conferentie of hun mogelijkheden om reclasseringshulp te bie­den. Wat betreft de participatie van de gedetineerden aan de kerk­dien­sten dienen de cijfergegevens ook gerelativeerd. Deze par­ticipa­tie ligt procen­tueel veelal hoger dan in de buitenwereld, maar de vergelijking loopt mank omdat secun­daire motieven in de gevan­ge­nis een grote rol spelen: uit de cel weg zijn, samenkomen met ka­meraden, loyauteit tegenover de aalmoezenier. Soms is het alle­maal nieuw voor hen en komen ze uit nieuwsgierigheid. Toch ver­wachten velen dat hen iets aangereikt wordt van zingeving voor het eigen leven. Een breder kader, waarin ook het eigen leven zich afspeelt; een kader dat verband houdt met God en geloof.

 

Bezien vanuit de totaalproblematiek van de gedetineerden, overstij­gen de eisen van het pastorale begeleidingswerk vaak datgene wat men als aalmoeze­nier kan bieden. Als gevangenispastor blijft men bestendig worstelen met de vraag of de gevangenen in de moeilijk­ste momenten van hun detentiesituatie niet alleen worden gelaten met wat hen belast. Hoe kan men als aalmoezenier inkomen in hun be­levingswereld? Hoe kan men begrijpen dat velen van hen het gevoel hebben verloren voor de juiste verhouding tussen geven en ne­men? Hoe kan men begrijpen dat velen van hen hebben moeten leven met het gevoel dat je als mens voortdurend op je hoede moet zijn voor je mede­mens? Hoe kan men voor zichzelf in het reine komen met het feit dat gevan­genen omwille van hun detentie dik­wijls psychisch nog meer gefnuikt en maatschap­pelijk meer kwets­baar worden te­ruggestuurd naar de maatschappij? Daarbij is er het gegeven dat de aalmoezenier door de gedetineerden dikwijls wordt overvraagd. Voor velen van hen is hij een soort almachtige ouderfi­guur op wie zij gaan vertrouwen als op de man die, als hij dat echt wil, alles voor hen kan doen; die b.v. hun pleitbezorger zal zijn die desnoods te­gen de hele personeelsconferentie in zal opkomen voor hun “recht” op voorwaardelij­ke invrijheidstelling. Aalmoezeniers kunnen proberen dit een tijdlang vol te houden en als een duivel-doet-al hun eigen beperktheid en onmacht negeren. Paradoxaal ge­noeg zijn zij in praktisch al hun initiatieven afhankelijk van belei­dsin­stanties met beslissingsmacht of van de welwillendheid van men­sen die de gevangenen al dan niet een nieuwe kans willen ge­ven. Uit zichzelf kunnen zij dikwijls weinig doen. Voor sommige gevange­nen is die machte­loosheid de eigenlijke grond waarop zij de aal­moezeniers autoriteit toeken­nen. Het werkmilieu dat de gevange­nis is, vraagt van deze mensen voortdu­rend meer dan zij kunnen ge­ven.

 

De aalmoezeniers worden door de gedetineerden ook overvraagd omwille van de afwezigheid en/of chronische onderbezetting van een professioneel hulp­verlenings- en begeleidingskader. Dat brengt mee dat nog steeds een oneigen­lijk beroep wordt gedaan op de aalmoezeniers, die de facto moe­ten inspelen op de manifeste behoefte aan psycho-hygiënische en maatschap­pelijke werk­voorzie­ningen. De schromelijke institutionele achterstand van het penitenti­aire systeem ten aanzien van die behoeften maakt het werk van de aalmoeze­niers niet minder zinvol. Zij zijn geen pseudo-psychologen of pseu­do-maat­schappelijk werkers en zij gaan hun bevoegdheden niet te buiten wanneer zij de noden en behoeften van de gedetineer­den au sérieux nemen. In de mate echter waarin verandering komt in deze situatie, zullen de aalmoe­zeniers ertoe gedwongen worden om zich te bezinnen op het specifieke ka­rakter van hun werk en om hun inbreng binnen het geheel van de penitentiai­re bemoeie­nissen duidelijk te profileren.

 

 

Een werkcontext die vervreemd is geraakt van zijn eigen finali­teit

 

Gevangenispastores werken niet alleen in een context waarbinnen dikwijls een oneigenlijk beroep op hen wordt gedaan en waarin de problematiek die op hen afkomt vaak datgene overstijgt wat zij als aalmoezenier kunnen bie­den. De hele context waarin zij werken bemoeilijkt, vanuit zijn institutionele aard, de mogelijkheidsvoor­waarden van het pastorale begeleidingswerk. De structuur immers waarbinnen de gedetineerden zitten opgesloten, vormt voor hen een zware belasting voor persoonlijke reflectie en bewustwording. De voortdurende confrontatie met onvrijheid, en de relaties met mede­gevangenen en personeel kleuren de kijk op de eigen situatie. Zij bemoeilijken de explo­ratie van de eigen bronnen van houvast. Het hele systeem waarin zij zijn terechtgekomen staat haaks op het be­antwoorden van zin- en betekenisvra­gen? Vragen als “Waarom heb ik dat gedaan en hoe moet ik daarmee ver­der?”, komen in de ge­vangeniswereld nauwelijks aan bod. Wie gevangen zit, wordt als het ware verplicht om datgene wat hij heeft misdaan, te gaan justi­fiëren en rationaliseren en om de verantwoordelijkheid voor de eigen situatie op anderen te projecteren. De meeste gevangenen ontwijken dan ook zichzelf en hun problemen via een formele on­derworpenheid aan het systeem. Zij laten zich leven in een schijn­baar-aangepast zijn; vaak op het schijnheilige af. Zij dragen een masker waarachter alle mogelijke psychische inhouden ver­borgen blijven. Zolang zij daarin slagen worden er vanuit het systeem weinig vragen gesteld naar de persoonlijkheid van de man in kwestie en naar zijn individuele problematiek. De feitelijke penitentiaire praxis wordt gestroom­lijnd door imperatieven inzake beheersbaarheid en veiligheid en is nauwelijks of niet meer georiënteerd op agogische doelstellingen.

 

Hiermee wordt geraakt aan één van de belangrijkste na-oorlogse ontwikkelin­gen op het vlak van de penitentiaire praxis. “Werken in de gevangenis” bete­kent momenteel: werken binnen een context waar de vroegere normatieve oriëntaties — van zedelijke verbetering tot resocialisatie — een praktisch opge­geven oogmerk zijn geworden zonder dat daarvoor andere penitentiair-agogi­sche doelstellingen in de plaats kwamen. De ontwikkelingen die te ma­ken hadden met een liberalisering van het regime, hebben vanuit dat oogpunt slechts een voorwaardenscheppende betekenis. De ontwikkelingen van het gevangeniswezen zijn uiteindelijk aangeland op het punt waar de ongestoorde uitvoering van de straf de enige opdracht van het systeem lijkt geworden. Vanuit een no-nonsense benadering moet de gevangenis in hoofdzaak voldoen aan de eisen van orde, overzichtelijkheid, veiligheid en een budgettair verant­woord beheer. De “bejegening” van de gedetineerden wordt door deze impe­ratieven bepaald. Vanuit dat oogpunt heeft het “bezig houden” van de gedeti­neerden vooral een instrumentele betekenis in functie van genoemde op­dracht. Het aanbod van een vast dagprogramma en een variëteit aan activitei­ten kunnen de gevangenen helpen bij het overleven van hun detentiesituatie. Eerder uitzonderlijk zoekt dit aanbod aansluiting bij de herinnerings- en ver­wachtingswereld van de gedetineerde; bij zijn individuele verleden en toe­komst met daarin verdisconteerd de door hem bedreven feiten. De penitenti­aire praxis, in de etymologische betekenis van die woorden, is met dergelijke gang van zaken vervreemd geraakt van haar eigen finaliteit. Zij biedt de gedetineerde nauwelijks de ruimte om tot een inzicht te komen in zijn delictu­eel handelen of om de gevolgen van zijn optreden voor de persoon van het slachtoffer en diens sociale omgeving onder ogen te zien en er wat aan te doen. Binnen de gevangenismuren lijkt een taboe gelegd op het fenomeen van de schuldverwerking. Vanuit penitentiair-agogisch oogpunt bezien, mag men — wat deze thematiek betreft — spreken van een “niemandsland”. Daarmee wordt echter geen recht gedaan aan de individuele gevangene. Hij ondergaat dan een straf waarvan het doel los staat van zijn eigen geschiedenis en zijn eigen leven. De zin van zijn straf is hem daardoor afhandig gemaakt.

 

Binnen dergelijk klimaat kunnen de detentiebegeleiders (maatschappelijk werkers, forensisch welzijnswerkers, aalmoezeniers en morele consulenten) in eerste instantie dienen als steunpilaar om de gedetineerden te helpen over­leven of om een dreigende desintegratie te voorkomen. Bij een verregaande verstrakking van het regime en het algemene leefklimaat of wanneer de kwa­liteit van de opsluitingsvoorwaarden erg in het gedrang komt, kunnen zij dienen als noodventiel. De aalmoezeniers hebben daarbij het voordeel dat zij niet “van justitie” zijn, een “andere instantie” vertegenwoordigen en gesteund worden door hun beroepsgeheim. Zij hebben een soort vrijplaatsfunctie, in die zin dat zij de gevangenen een forum internum kunnen bieden waar zij hun verhaal kwijt kunnen, hun geheimen kunnen prijsgeven, zonder dat deze vertrouwelijkheid gevolgen hoeft te hebben voor de wijze waarop anderen in de gevangenisinrichting (directeur, bewaarder, psychiater, medegevangenen) met hen omgaan. Maar dit “voordeel” heeft zijn keerzijde. Aalmoezeniers en gedetineerden worden daardoor automatisch naar elkaar toegedreven. Dat verkleint de pastoraal-agogische handelingsvrijheid van de eersten. Zij kun­nen dan minder confronterend optreden, de realiteit van de levenssituatie ter sprake brengen, in een vertrouwelijk gesprek over schuld spreken en aldus in zekere zin ook de slachtoffers representeren.

Feb 2018:
Binnenkort komt hier een nieuwspagina met regelmatige updates van binnenlands en buitenlands nieuws over het gevangenis­wezen. Voor wie graag op de hoogte blijft: Schrijf je in voor onze nieuwsbrief  →