De gevangenisstraf – een reflectie

 

Situering

Deze tekst is een van de uitkomsten van het vak Gevangenisstraf als doorleefde realiteit, dat werd gedoceerd in het eerste semester van het academiejaar 2017-2018 aan de KU Leuven. Het college werd gevolgd door 24 studenten. Twaalf daarvan volgden het vak als vrij student en waren gedetineerd in de gevangenis van Leuven Centraal. De andere twaalf waren niet-gedetineerden die het meestal opnamen als keuzevak binnen een programma criminologie, theologie of filosofie. Er waren twee lesgevers en drie gespreksleiders betrokken bij het vak. De colleges vonden plaats in de gevangenis van Leuven Centraal.

Het thema van de cursus was de ethiek van het straffen, en in het bijzonder van de gevangenisstraf. Het project vertrok vanuit de overtuiging dat een reflectie over straf gebaat is bij het samenbrengen van zowel gestraften als niet-gestraften. Op die manier kunnen theorie en praktijk aan elkaar getoetst worden. Bovendien – en belangrijker – zorgt een dergelijk opzet voor het doorbreken van het mechanisme van uitsluiting dat eigen is aan onze manier van straffen. De gevangenisstraf bestaat namelijk in afzondering van de samenleving, die vervolgens vrij is om haar gestraften te vergeten.

 

Het doel van dit project was het creëren van een intellectueel vrije en gelijkwaardige omgeving, waarbinnen gedetineerde en niet-gedetineerde studenten met en van elkaar konden leren. Op die manier konden beide groepen een fundamentele voorwaarde vervullen die hoort bij volwaardige participatie aan een democratische samenleving, namelijk, het uitoefen van het recht en het opnemen van de verantwoordelijkheid om een gefundeerd oordeel te vormen over haar instituties, in dit geval de gevangenisstraf. Onderstaande reflectie is hier een neerslag van.

 

Zoals elke goede uitkomst van een democratisch proces, is het een consensusdocument. Dat betekent dat iedere deelnemer iets heeft moeten inleveren, maar dat elke paragraaf na meerdere rondes van amendering uiteindelijk door een meerderheid van minstens twee-derde van de deelnemers is goedgekeurd. De tekst heeft bijgevolg niet de pretentie de overtuiging weer te geven van de gedetineerden of het academische onderzoek omtrent de gevangenisstraf. Hij is wel het resultaat van een grondige academische reflectie en gedegen inhoudelijke discussies, waarbij gepoogd werd om een belangrijke groep van stakeholders, de gedetineerden, wiens stem in het publieke debat niet prominent aanwezig is, in het gesprek te betrekken. De tekst wil daarom geen laatste woord uitspreken over de gevangenisstraf, maar vormt veeleer een uitnodiging aan andere betrokkenen om het gesprek over de rechtvaardige maatschappelijk omgang met misdrijven op een fundamenteel niveau te blijven voeren.

 

Opzet

Het opzet van het vak en van deze tekst is een ethische reflectie over de gevangenisstraf zoals die vandaag in België wordt opgelegd en uitgevoerd en, ruimer, over de maatschappelijke reactie op misdrijven. Het is belangrijk om hier vanuit ethische principes over na te denken omdat we anders ofwel gemakkelijk vervallen in het kritiekloos accepteren van de status quo, ofwel ons handelen baseren op onbereflecteerde emoties die misdrijven losmaken. In plaats daarvan dienen we te vertrekken vanuit diepgewortelde morele opvattingen en verlangens die gedeeld worden door grote groepen mensen, en die allemaal een zekere legitimiteit hebben.

 

De belangrijkste van die ethische verlangens rond straf zijn: (1) dat misdrijven op rechtvaardige (dat wil zeggen proportionele) wijze bestraft worden, (2) dat daders van misdrijven ondersteund worden bij de uitbouw van een maatschappelijk aanvaardbare levenswijze, (3) dat mensen worden ontmoedigd om misdrijven te plegen, (4) dat we leven in een veilige samenleving, en (5) dat slachtoffers genoegdoening krijgen voor het hen aangedane leed en de berokkende schade. Deze morele verlangens liggen ten grondslag aan de klassieke ‘strafdoelen’: vergelding, rehabilitatie, afschrikking, onschadelijkmaking en herstel en compensatie. Deze doelen, en de onderliggende verlangens, staan in een spanningsverhouding tot elkaar, en dienen gewogen en gebalanceerd te worden wanneer we het huidige strafsysteem evalueren en alternatieven trachten te ontwerpen.

 

In het eerste deel wordt uitgelegd waarom de huidige gevangenisstraf op een matige tot slechte manier de legitieme verlangens realiseert die mensen hebben rond straf en strafuitvoering. Het tweede deel brengt een aantal richtinggevende principes en concrete voorstellen aan om deze verlangens op betere wijze vorm te geven.

 

De gevangenisstraf vandaag

De huidige gevangenisstraf heeft een aantal kenmerken die haar tot een ongeschikt middel maken om de bovengenoemde strafdoelen te realiseren. De gevangenisstraf is een wettelijk voorziene, door een rechter opgelegde straf als reactie op een misdrijf, en bestaat uit het gedwongen verblijf, voor een bepaalde of onbepaalde periode, in een van de vrije samenleving afgesloten inrichting, die impact heeft op bijna alle aspecten van het leven, en waarbinnen een grote groep gestraften volgens een strak georganiseerd patroon en onder direct gezag van een hiërarchie van machtsdragers al hun tijd doorbrengt. De gevangenis is dus een totaalinstituut dat gedetineerden op radicale wijze de mogelijkheid ontneemt om verantwoordelijkheid op te nemen voor hun eigen leven en dat van anderen, en hen tot ondergeschikten maakt binnen de inrichting.

 

Naar een verantwoorde straf

Aangezien de huidige gevangenisstraf de gewenste strafdoelen slechts zeer beperkt realiseert, is het verwonderlijk dat zij niet vaker fundamenteel in vraag wordt gesteld. Dit komt wellicht doordat het behoud van de status quo altijd de oplossing is die de minste politieke moed vergt. Het lijkt erop dat de gevangenis simpelweg gebruikt worden omdat ze er nu eenmaal is, en dat ze zo elk creatief denkproces over alternatieve benaderingen blokkeert.

 

Wellicht is het falen van de gevangenisstraf dan ook voor een deel te wijten aan het feit dat van één enkel instituut, omdat het nu eenmaal bestaat, wordt verwacht dat zij alle gewenste strafdoelen vervult. Eén manier om helderheid te scheppen in dit probleem kan erin bestaan de verschillende doelstellingen van de straf los van elkaar en van het instituut gevangenis te overdenken.

 

Elke straf dient een vergeldende leedtoevoeging te behelzen proportioneel aan het misdrijf. Die proportionaliteit is bij voorkeur tweeledig: de straf moet zowel kwantitatief (zwaarte van de straf) als kwalitatief (inhoud van de straf) aangepast zijn aan het misdrijf, en in zekere mate rekening houden met de situatie en de intentie van de individuele dader voor, tijdens en na het misdrijf.

 

Die leedtoevoeging dient voor de gestrafte een last te zijn, en kan verschillende vormen aannemen: volledige vrijheidsberoving, gedeeltelijke vrijheidsberoving, gemeenschapsdienst, geldboete – of een combinatie van deze. Dit is zowel een vereiste van de vergeldingsgedachte als van belang voor individuele en algemene afschrikking.

 

Het proportionaliteitsbeginsel vereist dat de gekozen straf duidelijk afgebakend is in tijd of omvang, zodat de gestrafte op een welbepaald moment de straf achter zich kan laten.

 

De samenleving dient in haar roep om vergelding dan ook rekening te houden met de vereisten van proportionaliteit en eindigheid. Die impliceren bovendien niet enkel een duidelijk afgebakende straf, maar ook het doorbreken van het stigmaseringsproces waardoor mensen voor het leven door hun detentietijd getekend blijven.

 

De samenleving is het bovendien aan zichzelf en aan de dader verplicht om de dader hulp aan te bieden om zich opnieuw in de maatschappij te integreren (rehabilitatie). Deze hulp vertrekt vanuit de behoeften van de dader, is gericht op diens maatschappelijk en persoonlijk functioneren, en kan zich enten op het – weliswaar nog steeds niet geïmplementeerde – individueel detentieplan zoals dat in de Basiswet wordt geformuleerd. Het opstellen en uitvoeren van een dergelijk plan zou plaats moeten vinden in samenspraak met een multidisciplinair team van justitiële en niet-justitiële actoren, maar is zoveel mogelijk zelfgestuurd. Rehabilitatie is immers niet in de eerste plaats een zaak van experten die over de hoofden van daders heen beslissingen nemen, maar vertrekt van positieve aannames over de dader, die wordt beschouwd als moreel aanspreekbaar en competent persoon, die zich het rehabilitatieproces actief kan toe-eigenen. Dit betekent ook dat de dader voldoende kansen en ondersteuning moet krijgen om opnieuw als volwaardig burger aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen.

 

Aangezien desistance (het opgeven van crimineel gedrag) vaak een proces is van vallen en opstaan, wordt van de samenleving een zekere mate van risicotolerantie verwacht. Als groepen mensen de kans krijgen om een criminaliteitsvrij leven op te bouwen, is het onvermijdbaar dat sommige onder hen die kans verbruien. Aangezien het tamelijk onvoorspelbaar blijft wie dat zullen zijn, dient de samenleving in zekere mate te accepteren dat rehabilitatie gepaard gaat met het risico op nieuwe criminele feiten.

 

Rehabilitatie staat op gespannen voet met vergeldende leedtoevoeging. Het is namelijk problematisch om binnen één inrichting iemand tegelijk te pijnigen en te helpen. De oplossing van die spanning kan in twee richtingen gedacht worden.

 

Enerzijds is het mogelijk om een van beide strafdoelen prioriteit te geven. Als bijvoorbeeld het belang van rehabilitatie primeert, dan kan het totale karakter van de gevangenis zoveel mogelijk afgebouwd worden, zodat rehabilitatie gemakkelijker wordt. De vraag die zich dan stelt is of een dergelijke minimalisering van de intensiteit van de vergeldende leedtoevoeging niet zal gecompenseerd worden door lange periodes van opsluiting.

 

Anderzijds is het mogelijk om beide strafdoelen in ruimte en tijd van elkaar te scheiden.  Bij serieuze misdrijven kan dan bijvoorbeeld een korte, maar zware gevangenisstraf opgelegd worden (eventueel, en in dialoog met het slachtoffer, aangevuld met of inwisselbaar voor andere vormen van leedtoevoeging, zoals lijfstraf of dwangarbeid), die uitsluitend vergelding tot doel heeft. Daarna wordt dan een rehabilitatietraject gestart waarin vrijheidsbeperkingen zo snel en zo veel mogelijk worden afgebouwd.

 

Naast vergelding en rehabilitatie dient de maatschappelijke reactie op criminaliteit zo veel mogelijk gericht te zijn op vormen van herstel tussen dader, slachtoffer(s) en, waar toepasselijk, relevante derden en de bredere gemeenschap. Eén element van dat herstel kan bestaan in de vergoeding door de dader van het aan het slachtoffer berokkende leed, door middel van betaling, dienstverlening, of symbolische compensatie. Vooral de actieve betrokkenheid van alle belanghebbenden in het proces van conflictoplossing is echter van belang. Hierbij dient opgemerkt te worden dat noch slachtoffers, noch daders het laatste woord hebben over strafmaat of strafinvulling, en dat de voorgestelde straf door een onafhankelijke rechter dient te worden bekrachtigd binnen de grenzen van de strafwet.

 

De gerichtheid op herstel betekent aan de ene kant dat de dader tijdens de strafuitvoering voldoende toegang heeft tot de buitenwereld en over reële mogelijkheden beschikt om de nodige verantwoordelijkheden op te nemen. Aan de andere kant bestaan er voldoende mogelijkheden en positieve incentives voor slachtoffers en gemeenschappen om constructief betrokken te zijn bij het herstelproces.

 

Hoewel verzoening tussen daders en slachtoffers nooit afdwingbaar kan zijn, is het raadzaam om onze omgang met betrokkenen bij criminaliteit zo te organiseren dat de mogelijkheid tot tussenmenselijke verzoening zo veel mogelijk wordt opengehouden.

 

Het idee van onschadelijkmaking – de bescherming van de maatschappij door middel van opsluiting van daders – is gebaseerd op een inschatting van het gevaar dat daders stellen om in de toekomst nieuwe misdrijven te plegen. Deze inschatting staat los van het reeds gepleegde misdrijf, dat de enige grond is voor de strafrechtelijke interventie waaraan de dader is blootgesteld. Hoewel het niet uit te sluiten is dat uitzonderlijke maatregelen noodzakelijk zijn voor enkele daders die een ernstig en blijvend gevaar vormen, is het veiligheidsperspectief ondergeschikt aan de strafrechtelijke gerichtheid op proportionaliteit, rehabilitatie en herstel. Straffen hebben dus in beginsel een duidelijk omschreven einde, en eventuele risico-taxaties zijn niet in hoofdzaak op veiligheid gericht, maar dienen hoogstens als werk-instrumenten binnen een traject dat gericht is rehabilitatie en herstel.

 

Tot slot

België is verknocht aan de gevangenisstraf als oplossing voor tal van individuele, sociale, en morele problemen. Maar het is niet omdat de gevangenisstraf er is, dat ze deugt of werkt. Vanuit welk strafdoel ze ook wordt gerechtvaardigd, steeds weer blijkt dat ze onze legitieme verwachtingen rond straf niet kan waarmaken. Het is daarom tijd om uit de schaduw te stappen die het instituut gevangenis op onze verbeelding werpt. Enkel dan kunnen we straffen vormgeven die passen bij de menselijke en rechtvaardige samenleving die we willen zijn.

Feb 2018:
Binnenkort komt hier een nieuwspagina met regelmatige updates van binnenlands en buitenlands nieuws over het gevangenis­wezen. Voor wie graag op de hoogte blijft: Schrijf je in voor onze nieuwsbrief  →